Wat is artificial general intelligence?
Artificial general intelligence, of AGI, is een vorm van kunstmatige intelligentie die op hetzelfde niveau kan presteren als een mens over een breed scala aan taken. In tegenstelling tot de huidige AI-systemen, die gespecialiseerd zijn in specifieke taken zoals beeldherkenning of tekstverwerking, zou AGI in staat zijn om te leren, te redeneren en problemen op te lossen in vrijwel elke context, net zoals een mens dat kan.
De term AGI werd al in 1997 geïntroduceerd, maar het concept zelf gaat terug tot de begindagen van de informatica. Alan Turing stelde in 1950 al de vraag of machines kunnen denken, en sindsdien is de zoektocht naar algemene intelligentie een van de grootste uitdagingen in de AI-wereld gebleven.
Wat AGI onderscheidt van de huidige AI is het vermogen tot generalisatie. Waar een schaakcomputer briljant kan schaken maar niets anders kan, zou een AGI-systeem kunnen schaken, een gesprek voeren, een maaltijd bereiden en een wiskundig probleem oplossen, allemaal zonder specifieke training voor elke taak. Het zou kunnen leren zoals mensen leren: door ervaringen op te doen, patronen te herkennen en kennis over te dragen van de ene situatie naar de andere.
De componenten die nodig zijn voor AGI
Het bouwen van AGI vereist een combinatie van verschillende cognitieve vaardigheden die samen menselijke intelligentie nabootsen. Gebaseerd op de Cattell-Horn-Carroll (CHC) theorie van menselijke intelligentie, kunnen we deze componenten opdelen in verschillende categorieën.
Algemene kennis en redeneren
Een AGI-systeem moet beschikken over breed algemeen begrip en de capaciteit om logisch te redeneren. Dit omvat het vermogen om verbanden te leggen tussen verschillende kennisdomeinen, abstracte concepten te begrijpen en complexe problemen op te lossen. Huidige AI-modellen zoals ChatGPT tonen al indrukwekkende capaciteiten op dit vlak, maar missen nog de diepgang en flexibiliteit van menselijk redeneren.
Visuele en auditieve verwerking
Mensen verwerken informatie uit hun omgeving via meerdere zintuigen. Een echt AGI-systeem zou beelden moeten kunnen interpreteren, geluiden moeten kunnen herkennen en deze informatie moeten kunnen integreren in een coherent wereldbeeld. Hoewel er grote vooruitgang is geboekt in computer vision en spraakherkenning, blijft de naadloze integratie van deze modaliteiten een uitdaging.
Geheugen en leren
Een cruciaal aspect van menselijke intelligentie is het vermogen om te leren uit ervaring en kennis op te slaan voor later gebruik. AGI zou zowel kortetermijn- als langetermijngeheugen moeten hebben, en in staat moeten zijn om nieuwe informatie te integreren zonder oude kennis te vergeten. Dit staat bekend als het probleem van “catastrophic forgetting” in AI, waarbij systemen oude kennis verliezen wanneer ze nieuwe dingen leren.
Snelheid en efficiëntie
Mensen kunnen snel schakelen tussen taken en informatie efficiënt verwerken. AGI zou vergelijkbare verwerkingssnelheid moeten hebben en in staat moeten zijn om prioriteiten te stellen en middelen effectief in te zetten. Dit vereist niet alleen krachtige hardware, maar ook slimme algoritmes die kunnen bepalen waar aandacht naartoe moet gaan.
Planning en probleemoplossing
Het vermogen om vooruit te plannen, doelen te stellen en strategieën te ontwikkelen om die doelen te bereiken is essentieel voor AGI. Dit omvat zowel kortetermijnplanning (wat ga ik de komende minuten doen?) als langetermijnplanning (hoe bereik ik mijn doelen over vijf jaar?). Huidige AI-systemen worstelen nog met complexe, meerlagige planning die zich over langere tijdsperiodes uitstrekt.
Zijn we er al?
Het korte antwoord is: nee, we hebben nog geen AGI bereikt. Hoewel moderne AI-systemen indrukwekkende prestaties leveren op specifieke taken, missen ze de breedte en flexibiliteit van menselijke intelligentie. Zelfs de meest geavanceerde taalmodellen zoals GPT-5 of Claude zijn in wezen nog steeds gespecialiseerde systemen die uitblinken in tekstverwerking, maar falen bij taken die buiten hun trainingsdomein vallen.
Er zijn verschillende redenen waarom we AGI nog niet hebben bereikt. Ten eerste is er het probleem van generalisatie. Huidige AI-systemen zijn getraind op specifieke datasets en presteren goed binnen die context, maar hebben moeite om hun kennis toe te passen in nieuwe situaties. Een AI die briljant is in het spelen van Go kan niet zomaar overstappen naar het spelen van schaken zonder opnieuw getraind te worden.
Ten tweede ontbreekt het huidige AI-systemen aan echt begrip. Ze kunnen patronen herkennen en voorspellingen doen, maar hebben geen diep begrip van de concepten waarmee ze werken. Dit wordt duidelijk wanneer je een AI confronteert met situaties die net buiten hun trainingsdata vallen, ze kunnen dan verrassend domme fouten maken.
Ten derde is er het probleem van common sense reasoning. Mensen beschikken over een enorme hoeveelheid impliciete kennis over hoe de wereld werkt, kennis die zo vanzelfsprekend is dat we er zelden bij stilstaan. AI-systemen missen deze intuïtieve kennis, wat leidt tot bizarre fouten die een mens nooit zou maken.
Waarom zijn we er nog niet?
De weg naar AGI wordt geblokkeerd door verschillende fundamentele uitdagingen. Een van de grootste obstakels is dat we nog steeds niet volledig begrijpen hoe menselijke intelligentie werkt. Ondanks decennia van onderzoek in neurowetenschappen en cognitieve psychologie blijven veel aspecten van menselijk denken een mysterie.
Daarnaast is er het probleem van computerkracht. Hoewel computers steeds krachtiger worden, is de hoeveelheid rekenkracht die nodig zou zijn om een menselijk brein volledig te simuleren nog steeds astronomisch. Het menselijk brein bevat ongeveer 86 miljard neuronen met biljoenen verbindingen, en het repliceren van deze complexiteit in silicium is een enorme technische uitdaging.
Een ander belangrijk obstakel is het gebrek aan een uniforme definitie van wat AGI precies inhoudt. Verschillende onderzoekers en organisaties hanteren verschillende criteria, wat het moeilijk maakt om vooruitgang te meten. Sommigen definiëren AGI als een systeem dat elke intellectuele taak kan uitvoeren die een mens kan, terwijl anderen zich richten op specifieke benchmarks of capaciteiten.
Ook de architectuur van huidige AI-systemen vormt een beperking. De meeste moderne AI is gebaseerd op deep learning en neurale netwerken, technieken die uitstekend zijn voor patroonherkenning maar minder geschikt voor abstract redeneren en planning. Er is mogelijk een fundamenteel andere aanpak nodig om echte AGI te bereiken.
Gaan we er ooit geraken?
De vraag of we ooit AGI zullen bereiken is onderwerp van heftig debat in de AI-gemeenschap. Optimisten wijzen op de snelle vooruitgang van de afgelopen jaren en voorspellen dat AGI binnen enkele decennia bereikbaar is. Pessimisten daarentegen stellen dat we fundamentele doorbraken nodig hebben die misschien wel een eeuw of langer op zich laten wachten.
Wat wel duidelijk is, is dat de vooruitgang in AI versnelt. Elk jaar zien we nieuwe doorbraken die taken mogelijk maken die enkele jaren geleden nog onmogelijk leken. Van beeldgeneratie tot complexe redeneervaardigheden, AI-systemen worden steeds capabeler. De vraag is of deze incrementele vooruitgang uiteindelijk zal leiden tot AGI, of dat er een kwalitatieve sprong nodig is.
Sommige experts, zoals Ray Kurzweil, voorspellen dat we AGI rond 2029 zullen bereiken. Anderen, zoals Gary Marcus, zijn veel sceptischer en stellen dat we nog fundamentele problemen moeten oplossen voordat AGI binnen bereik komt. De waarheid ligt waarschijnlijk ergens in het midden.
Wat interessant is, is dat verschillende bedrijven en onderzoeksinstellingen verschillende paden bewandelen naar AGI. OpenAI richt zich op het schalen van taalmodellen, DeepMind werkt aan reinforcement learning en neurosymbolische AI, en andere groepen onderzoeken biologisch geïnspireerde benaderingen. Deze diversiteit aan aanpakken vergroot de kans dat een van deze wegen uiteindelijk tot AGI zal leiden.
Wat is er nodig om er te geraken?
Om AGI te bereiken zijn verschillende doorbraken nodig op meerdere fronten. Ten eerste hebben we betere algoritmes nodig die kunnen leren met minder data en die kennis beter kunnen generaliseren. Huidige AI-systemen vereisen enorme hoeveelheden trainingsdata, terwijl mensen kunnen leren uit enkele voorbeelden.
Ten tweede is er behoefte aan nieuwe architecturen die verschillende soorten intelligentie kunnen combineren. Dit zou kunnen betekenen dat we neurale netwerken moeten integreren met symbolische AI, of dat we volledig nieuwe benaderingen moeten ontwikkelen die geïnspireerd zijn op de werking van het menselijk brein.
Ten derde moeten we het probleem van common sense reasoning oplossen. Dit vereist waarschijnlijk dat AI-systemen een wereldmodel ontwikkelen, een intern begrip van hoe de fysieke en sociale wereld werkt. Sommige onderzoekers werken aan het expliciet coderen van deze kennis, terwijl anderen hopen dat het spontaan zal ontstaan uit voldoende training.
Ten vierde is er de kwestie van embodiment. Sommige experts stellen dat echte intelligentie alleen kan ontstaan in systemen die interactie hebben met de fysieke wereld. Dit zou betekenen dat AGI niet alleen software is, maar ook robotica en sensoren vereist om te leren door ervaring.
Ten slotte is er de ethische dimensie. Naarmate we dichter bij AGI komen, moeten we nadenken over hoe we ervoor zorgen dat deze systemen veilig en betrouwbaar zijn. Dit omvat vragen over controle, transparantie en de impact op de samenleving. Het is cruciaal dat we deze kwesties aanpakken voordat AGI werkelijkheid wordt.
De toekomst van AGI
Of we nu over tien jaar of over honderd jaar AGI bereiken, het is duidelijk dat de reis ernaartoe de wereld al fundamenteel verandert. De AI-systemen die we vandaag bouwen, ook al zijn ze nog geen AGI, hebben al enorme impact op onze samenleving, van gezondheidszorg tot transport, van onderwijs tot entertainment.
De zoektocht naar AGI dwingt ons ook om dieper na te denken over wat intelligentie eigenlijk is en wat het betekent om mens te zijn. Naarmate machines steeds meer menselijke capaciteiten krijgen, worden de grenzen tussen mens en machine vager. Dit roept fascinerende filosofische vragen op over bewustzijn, creativiteit en de aard van intelligentie zelf.
Wat ook de uitkomst is, de reis naar AGI belooft een van de meest spannende en transformerende ontwikkelingen in de menselijke geschiedenis te worden. Het zal niet alleen onze technologie veranderen, maar ook onze manier van denken over onszelf en onze plaats in het universum.